Getijden voor Klein Vaarbewijs 2: eb, vloed, springtij en reductievlak

Op de Waddenzee en in Zeeland heb je te maken met getij: eb en vloed. In het examen Klein Vaarbewijs 2 zijn drie vragen over het getij, samen 6 punten.

Op deze pagina lees je hoe het getij ontstaat, wat springtij en doodtij zijn, en hoe dieptes op de kaart en waterstanden samenhangen.

Deze gids vat informatie samen van Rijkswaterstaat (CC0), de Dienst der Hydrografie van het Ministerie van Defensie (defensie.nl, CC BY-SA 4.0, korte citaten in eigen woorden), Varen doe je Samen en de CBR-exameneisen Klein Vaarbewijs 2, gelezen op 24 oktober 2026. Hij leert je niet rekenen met de getijtafels of de HP33; daarvoor gebruik je de officiële uitgaven zelf. Examenzaal is een onafhankelijke aanbieder van oefenmateriaal en geen onderdeel van het CBR.

Laatst inhoudelijk gecontroleerd: .

Wat het examen vraagt

Volgens de CBR-exameneisen gaat het onder meer over het ontstaan van het getij, het dagelijkse verschil in tijd en hoogte (de 1/12-regel), de schijngestalten van de maan, springtij en doodtij, reductievlakken (NAP en LAT) tegenover kaartdiepten en waterstanden, de begrippen verval en rijzing, en meteorologische invloeden. Je moet ook kunnen werken met de getijtafels voor Nederland, de HP33 (ook de stroomatlassen) en de getijgegevens op de kaarten van de 1800-serie.

Hoe eb en vloed ontstaan

Eb en vloed ontstaan door de aantrekkingskracht van de maan op het water op aarde. Ook de zon speelt een rol, maar omdat de zon een stuk verder weg staat, is dat effect een stuk kleiner.

Een getijcyclus duurt 12 uur en 25 minuten. In Nederland is het daardoor twee keer hoogwater en twee keer laagwater per 24 uur en 50 minuten. Het getij verschuift in bijna twaalf uur van het zuidwesten naar het noordoosten van Nederland.

Springtij en doodtij

Staan de zon en de maan in elkaars verlengde, bij volle en nieuwe maan, dan trekken ze samen harder aan het water. Ongeveer twee dagen later is het springtij: het hoogwater is extra hoog en het laagwater extra laag.

Staan de zon en de maan haaks op elkaar, bij het eerste en laatste kwartier (halve maan), dan is het een paar dagen later doodtij: het hoogwater komt niet zo hoog als normaal en het laagwater zakt minder.

Verschillen per plaats en wantij

Het verschil tussen hoog- en laagwater is in Zeeland het grootst en neemt in noordelijke richting af tot in de buurt van Den Helder; daar is het verschil het kleinst. Vanaf Den Helder neemt het in oostelijke richting weer toe. Waterdiepte, de vorm van de kust en riviermondingen beïnvloeden het getij: in Hoek van Holland is er bij springtij een dubbel laagwater en in Den Helder komen dubbele hoogwaters voor.

Op de Waddenzee komt het getij eerst aan de westkant van de Waddeneilanden opzetten en enkele tientallen minuten later aan de oostkant. Achter de eilanden ontmoeten de twee getijgolven elkaar en staat het water bijna stil. Dat heet wantij. Volgens Varen doe je Samen ontstaat daar door de geringe stroming een ophoging van slib, die een ondiepte veroorzaakt.

Dieptes op de kaart: het reductievlak

Om een waterdiepte in een getal uit te drukken is een nulpunt nodig: het reductievlak. Op elke zeekaart staat welk reductievlak is gebruikt. Het standaard reductievlak voor zeekaarten is het Approximate Lowest Astronomical Tide (ALAT): de laagst mogelijke waterstand op basis van de stand van zon en maan. In het Nederlandse deel van de Noordzee, de Waddenzee en de Ooster- en Westerschelde heette dit vlak tot 1 januari 2026 Lowest Astronomical Tide (LAT); de CBR-exameneisen noemen nog 'NAP / LAT'.

Waterstanden onder ALAT komen ook voor, door weersomstandigheden zoals een hoge luchtdruk of een aflandige wind. Volgens Varen doe je Samen gebeurt dat ongeveer één keer per jaar met minstens 0,50 meter en ongeveer twee keer per maand met minstens 0,25 meter.

Het NAP is ongeveer de gemiddelde waterstand in rust te Amsterdam. Havenmeesters en sluiswachters geven de waterstand vaak in NAP; de jaarlijkse HP33 laat zien hoe NAP, MSL en ALAT zich op bepaalde plaatsen tot elkaar verhouden. Op de Nederlandse binnenwateren is er vaak een lokaal peil als reductievlak.

Wind en luchtdruk

Getijvoorspellingen zijn berekend uit de stand van zon en maan; het weer zit daar nog niet in. Volgens Varen doe je Samen zorgt aanlandige wind meestal voor een hogere waterstand en een vroeger hoog- en laagwater; aflandige wind doet het omgekeerde. Hoe hoger de luchtdruk, des te lager de waterstand.

Onze tip

Onze tip: leer de begrippen eerst los (springtij, doodtij, reductievlak, verval, rijzing) en reken daarna pas sommen. Bij getij moet je er volgens Varen doe je Samen rekening mee houden dat er genoeg water onder je kiel zit. Dat kun je alleen beoordelen als je weet ten opzichte van welk vlak een diepte of waterstand is gegeven.

Veelgestelde vragen

Hoe vaak is het hoogwater per dag?

In Nederland is het twee keer hoogwater en twee keer laagwater per 24 uur en 50 minuten. Een getijcyclus duurt 12 uur en 25 minuten (Rijkswaterstaat).

Wat is springtij?

Springtij treedt ongeveer twee dagen na volle en nieuwe maan op, als zon en maan in elkaars verlengde staan. Het hoogwater is dan extra hoog en het laagwater extra laag.

Wat betekent ALAT op de zeekaart?

ALAT (Approximate Lowest Astronomical Tide) is het standaard reductievlak voor zeekaarten: de laagst mogelijke waterstand op basis van de stand van zon en maan. Dieptes op de kaart staan ten opzichte van dat vlak. Door het weer kan de waterstand er toch onder komen.

Deze uitleg is door Examenzaal opgesteld. De CBR-informatie hebben we gecontroleerd op 24 oktober 2026. Examenzaal is een onafhankelijke aanbieder van oefenmateriaal. Lees hoe ons materiaal wordt gecontroleerd. Zie je een fout? Meld die aan ons.

Bereid je voor op het volledige oefenexamen

Maak een volledig oefenexamen met 27 vragen in CBR-formaat, of bekijk eerst de examenopbouw. Je uitslag (geslaagd of niet, je score en per vraag de uitleg) bekijk je na het inleveren met volledige toegang: € 19,95 incl. btw, eenmalig, geen abonnement.