Naar de inhoud
ExamenzaalStart oefenexamen

Voorrangsregels op het water: situaties voor Vaarbewijs 1

Voorrang op het water bepaal je vanuit de hele situatie. Kijk eerst naar het vaargebied en eventuele bijzondere regels. Stel daarna vast of schepen op tegengestelde of kruisende koersen varen en of een schip de stuurboordszijde van het vaarwater volgt.

“Rechts gaat voor” en “klein wijkt voor groot” zijn geen complete beslisbomen. De hieronder beschreven BPR-regels hebben voorwaarden en uitzonderingen. We maken die voorwaarden daarom steeds expliciet in de oefensituaties.

Deze gids behandelt de genoemde BPR-regels. Controleer voor je vaargebied welk reglement geldt; dit is geen volledige navigatiehandleiding.

Laatst inhoudelijk gecontroleerd: .

Een vaste manier om de situatie te lezen

Begin met het toepasselijke reglement en lokale omstandigheden. BPR-regels mag je niet automatisch als RPR-regels behandelen. Bijzondere situaties zoals keren, vertrekken en het samenkomen van een hoofd- en nevenvaarwater vallen niet onder de gewone kruisende-koersenregel van artikel 6.17.

Bepaal vervolgens de koerssituatie. Bij tegengestelde koersen lees je artikel 6.04 en de mogelijke afwijkingen. Bij kruisende koersen lees je artikel 6.17. Controleer of een schip de stuurboordszijde van het vaarwater volgt; beide artikelen kennen daarvoor een afzonderlijke regel.

Pas daarna de regel toe die past bij groot of klein en de betrokken scheepstypen. Een snel schip is een gedefinieerd begrip in het BPR en heeft in artikel 6.02 een eigen voorrangsplicht. Het is niet hetzelfde als iedere recreatieboot die hard vaart.

Stuurboordszijde van het vaarwater is een belangrijke voorwaarde

Bij gevaar voor aanvaring op tegengestelde koersen moet volgens artikel 6.04 lid 2 het schip dat niet de stuurboordszijde volgt voorrang verlenen aan het schip dat die zijde wel volgt. Bij kruisende koersen bevat artikel 6.17 lid 2 diezelfde voorwaarde.

Dit gaat over de gevolgde zijde van het vaarwater, niet over de kant waar je het andere schip ziet. Voorbeeld: twee kleine motorboten kruisen elkaars koers. Boot A volgt de stuurboordszijde van het vaarwater, boot B niet. Onder de voorwaarden van artikel 6.17 lid 2 verleent B voorrang aan A. Je begint in deze situatie dus niet met de regel uit lid 7.

Tegengestelde koersen: twee kleine motorboten

Neem een gewone BPR-situatie zonder bijzondere afwijking waarin twee kleine motorboten elkaar op tegengestelde koers naderen en gevaar voor aanvaring bestaat. Geen van beide volgt de stuurboordszijde van het vaarwater. Artikel 6.04 lid 7 schrijft dan voor dat beide naar stuurboord uitwijken: ze varen elkaar bakboord op bakboord voorbij.

Verander je één voorwaarde, dan moet je opnieuw lezen. Artikel 6.04 verwijst naar artikel 6.04a voor afwijkingen en geldt niet op de in artikel 6.05 genoemde delen van Geldersche IJssel en Maas. Toont een groot schip overdag een lichtblauw bord met een wit flikkerlicht, dan vraagt het volgens artikel 6.04a om stuurboord op stuurboord voorbij te varen. Dat bord is dus geen detail dat je zomaar kunt negeren.

Beide kleine motorboten wijken naar hun eigen stuurboord uitBoot A vaart omhoog en wijkt naar rechts in de tekening uit. Boot B vaart omlaag en wijkt naar links in de tekening uit. Voor beide is dat hun eigen stuurboord. Zo passeren ze elkaar met de bakboordzijden naar elkaar toe.A: vaart omhoogB: vaart omlaagA stuurboordB stuurboord
Schematisch, niet op schaal: twee kleine motorboten op tegengestelde koersen met gevaar voor aanvaring; geen van beide volgt de stuurboordszijde van het vaarwater en er geldt geen bijzondere afwijking. BPR artikel 6.04 lid 7. De pijlen laten alleen de richting van uitwijken zien.

Kruisende koersen: motor, zeil en spierkracht

Als twee kleine motorboten kruisen, gevaar voor aanvaring bestaat en geen van beide de stuurboordszijde van het vaarwater volgt, verleent volgens artikel 6.17 lid 7 het schip dat van bakboord nadert voorrang aan het schip dat van stuurboord nadert. De uitzonderingen van lid 1 blijven relevant.

Bij een klein motorschip, klein zeilschip en klein door spierkracht voortbewogen schip beschrijft lid 9 onder die voorwaarden een andere verhouding: het motorschip verleent voorrang aan het andere schip en het door spierkracht voortbewogen schip aan het zeilschip.

Voor twee kleine zeilschepen geeft lid 6 eigen regels. Bij verschillende boegen verleent het over stuurboordsboeg zeilende schip voorrang aan het over bakboordsboeg zeilende schip; bij dezelfde boeg verleent het loefwaartse schip voorrang aan het lijwaartse. Ook hier geldt de voorwaarde dat geen van beide de stuurboordszijde van het vaarwater volgt.

Voorrang vraagt ook om samenwerking

Een regel is geen reden om een gevaarlijke situatie te laten ontstaan. Artikel 6.03 bepaalt onder meer dat voorbijvaren en voorbijlopen alleen mogen als er voldoende ruimte is, met aandacht voor plaatselijke omstandigheden en de bewegingen van andere schepen.

Artikel 6.03 lid 4 schrijft voor dat het schip dat voorrang verleent door tijdige koerswijziging of snelheidsverandering de nodige ruimte laat. Het mag daarbij niet verlangen dat het andere schip voor hem koers of snelheid wijzigt. Lid 7 beschrijft daarnaast de medewerking van het andere schip wanneer een schip die bij een manoeuvre mag verlangen. Controleer bij iedere oefenvraag welke voorwaarde het antwoord bepaalt.

Oefenvragen met uitleg

Bedenk eerst je antwoord en open daarna de uitleg. Deze korte zelfcontrole voorspelt niet of je slaagt voor het officiële examen.

  1. Vraag 1

    Twee kleine motorboten naderen elkaar op tegengestelde koersen met gevaar voor aanvaring. Geen van beide volgt de stuurboordszijde van het vaarwater. Artikel 6.04 geldt en er is geen bijzondere afwijking. Wat moeten zij doen?

    1. a.Beide naar stuurboord uitwijken.
    2. b.Beide naar bakboord uitwijken.
    3. c.Alleen de snelste boot moet stoppen.
    Bekijk antwoord en uitleg bij vraag 1

    Antwoord A: Beide naar stuurboord uitwijken.

    Artikel 6.04 lid 7 schrijft onder deze voorwaarden voor dat beide naar stuurboord uitwijken, zodat zij elkaar bakboord op bakboord voorbijvaren. De vraag sluit de bijzondere afwijkingen uit. Naar bakboord uitwijken en snelheid als beslisregel volgen niet uit dit lid.

  2. Vraag 2

    Twee kleine motorboten naderen elkaar op tegengestelde koersen met gevaar voor aanvaring. A volgt de stuurboordszijde van het vaarwater; B niet. Artikel 6.04 geldt en er is geen bijzondere afwijking. Wie verleent voorrang?

    1. a.A verleent voorrang aan B.
    2. b.B verleent voorrang aan A.
    3. c.Beide hebben dezelfde voorrang.
    Bekijk antwoord en uitleg bij vraag 2

    Antwoord B: B verleent voorrang aan A.

    Volgens artikel 6.04 lid 2 verleent het schip dat niet de stuurboordszijde van het vaarwater volgt voorrang aan het schip dat die zijde wel volgt. Dat is hier B aan A. De voorwaarde uit lid 7 dat geen van beide die zijde volgt, is hier niet vervuld.

  3. Vraag 3

    Een schip is een snel schip in de betekenis van het BPR. Wat bepaalt artikel 6.02 over zijn verhouding tot andere schepen?

    1. a.Het heeft door zijn snelheid steeds voorrang.
    2. b.Het moet andere schepen voorrang verlenen.
    3. c.Het hoeft alleen grote schepen voorrang te verlenen.
    Bekijk antwoord en uitleg bij vraag 3

    Antwoord B: Het moet andere schepen voorrang verlenen.

    Artikel 6.02 verplicht een snel schip aan andere schepen voorrang te verlenen. Het maakt hier geen beperking tot grote schepen. Snel schip is een gedefinieerde categorie; dit is geen regel die uit alleen de actuele snelheid van iedere boot volgt.

  4. Vraag 4

    Een schip moet volgens het BPR voorrang verlenen. Hoe moet het dat volgens artikel 6.03 lid 4 doen?

    1. a.Tijdig door koerswijziging of snelheidsverandering ruimte laten.
    2. b.Verlangen dat het andere schip daarvoor zijn koers wijzigt.
    3. c.Pas handelen als het andere schip een sein geeft.
    Bekijk antwoord en uitleg bij vraag 4

    Antwoord A: Tijdig door koerswijziging of snelheidsverandering ruimte laten.

    Artikel 6.03 lid 4 verlangt tijdige koerswijziging of snelheidsverandering om de nodige ruimte te laten. Het voorrangverlenende schip mag niet verlangen dat het andere schip voor hem koers of snelheid wijzigt. Afwachten tot een sein is geen voorwaarde uit dit lid.

  5. Vraag 5

    Een klein motorschip en een klein zeilschip kruisen met gevaar voor aanvaring. Geen van beide volgt de stuurboordszijde van het vaarwater en er geldt geen uitzondering uit artikel 6.17 lid 1. Wie verleent volgens lid 9 voorrang?

    1. a.Het kleine zeilschip aan het motorschip.
    2. b.Het schip met de laagste snelheid.
    3. c.Het kleine motorschip aan het zeilschip.
    Bekijk antwoord en uitleg bij vraag 5

    Antwoord C: Het kleine motorschip aan het zeilschip.

    Artikel 6.17 lid 9 bepaalt onder deze voorwaarden dat het kleine motorschip voorrang verleent aan het andere schip, hier het kleine zeilschip. De vraag sluit de voorafgaande stuurboordszijderegel en bijzondere situaties uit. De laagste snelheid is hier geen criterium.

  6. Vraag 6

    Twee kleine zeilschepen kruisen met gevaar voor aanvaring en zeilen over dezelfde boeg. Geen van beide volgt de stuurboordszijde van het vaarwater en artikel 6.17 lid 6 onder b is van toepassing. Wie verleent voorrang?

    1. a.Het schip met het kleinste zeiloppervlak.
    2. b.Het loefwaartse schip aan het lijwaartse.
    3. c.Het lijwaartse schip aan het loefwaartse.
    Bekijk antwoord en uitleg bij vraag 6

    Antwoord B: Het loefwaartse schip aan het lijwaartse.

    Artikel 6.17 lid 6 onder b schrijft in deze situatie voor dat het loefwaartse schip voorrang verleent aan het lijwaartse. Zeiloppervlak komt in deze regel niet voor. Bij verschillende boegen is een ander onderdeel van lid 6 van toepassing.

  7. Vraag 7

    Welke kruisende situatie is uitdrukkelijk uitgezonderd van artikel 6.17 door het eerste lid?

    1. a.Een kleine motorboot en een kleine zeilboot.
    2. b.Koersen die kruisen door het vertrekken.
    3. c.Twee kleine motorboten op ruim water.
    Bekijk antwoord en uitleg bij vraag 7

    Antwoord B: Koersen die kruisen door het vertrekken.

    Artikel 6.17 lid 1 sluit onder meer kruisende koersen uit die ontstaan bij keren, vertrekken of een samenkomst van hoofd- en nevenvaarwater. Alleen de combinatie van twee kleine motorboten of motor- en zeilboot vormt niet zo’n uitzondering.

  8. Vraag 8

    U vaart met een kleine motorboot. Een groot motorschip kruist uw koers zodanig dat er gevaar voor aanvaring is. Geen van beide volgt de stuurboordszijde van het vaarwater. Wie moet voorrang verlenen?

    1. a.Uw kleine motorboot, aan het grote schip.
    2. b.Het schip dat van bakboord nadert, ongeacht de grootte.
    3. c.Het grote motorschip, als u van stuurboord nadert.
    Bekijk antwoord en uitleg bij vraag 8

    Antwoord A: Uw kleine motorboot, aan het grote schip.

    Artikel 6.17 lid 3: kruisen een groot en een klein schip met gevaar voor aanvaring en volgt geen van beide de stuurboordszijde van het vaarwater, dan verleent het kleine schip voorrang aan het grote schip. De regel 'van bakboord geeft voorrang aan van stuurboord' geldt in dit artikel voor schepen van dezelfde soort, zoals twee grote motorschepen (lid 4) of twee kleine motorschepen (lid 7).

Klaar met deze 8 vragen?

Test je kennis in een volledig oefenexamen: 40 vragen in 60 minuten, over alle onderwerpen van het examen. Je uitslag bekijk je met volledige toegang; wat dat kost, zie je voordat je begint.

Start oefenexamen 1

Veelgestelde vragen

Heeft een zeilboot altijd voorrang?

Nee. De regel hangt onder meer af van de koerssituatie, het volgen van de stuurboordszijde, de scheepscategorie en bijzondere bepalingen.

Is een boot korter dan 20 meter altijd een klein schip?

Nee. De BPR-definitie noemt uitzonderingen, waaronder passagiersschepen en bepaalde andere scheepstypen. Lengte alleen is niet genoeg.

Zijn de regels op de Rijn hetzelfde?

Deze gids behandelt genoemde BPR-artikelen. Controleer apart de toepasselijke RPR-regels; neem deze beslisvolgorde niet over als vervanging van het andere reglement.

Deze uitleg is door Examenzaal opgesteld. We gebruiken de tekstversie van het BPR van 17 juni 2026. Examenzaal is een onafhankelijke aanbieder van oefenmateriaal. Lees hoe ons materiaal wordt gecontroleerd. Zie je een fout? Meld die aan ons.

Bereid je voor op het volledige oefenexamen

Maak een volledig oefenexamen met 40 vragen in CBR-formaat, of bekijk eerst de examenopbouw. Je uitslag bekijk je met volledige toegang; wat dat kost, zie je voordat je begint.