Naar de inhoud
ExamenzaalStart oefenexamen

Lichtvoering oefenen voor je vaarbewijs: scheepslichten herkennen

Bij lichtvoering kijk je naar de kleur, de plaats van de lichten en de richting waaruit je het schip ziet. Een rood boordlicht hoort bij de bakboordzijde van het andere schip; groen hoort bij zijn stuurboordzijde. De boordlichten worden dus niet benoemd vanuit jouw eigen boot.

Hieronder vergelijk je dezelfde gekozen verlichting vanuit vier richtingen. Daarna oefen je welke regels voor kleine motor-, zeil- en roeischepen gelden. Een enkel wit licht is op zichzelf niet genoeg om met zekerheid één scheepstype aan te wijzen.

Deze gids behandelt de genoemde BPR-regels. Controleer voor je vaargebied welk reglement geldt; dit is geen volledige navigatiehandleiding.

Laatst inhoudelijk gecontroleerd: .

Vier soorten licht en hun sectoren

Een lichtsector is het deel van de horizon waarin een licht zichtbaar is. Het witte toplicht schijnt naar voren en aan weerszijden tot iets achter dwars. Het witte heklicht bestrijkt de achterzijde. Een rondom schijnend licht is rondom zichtbaar.

De kleuren helpen, maar bepaal ook welk soort licht je ziet. Een wit toplicht en een wit heklicht hebben dezelfde kleur en verschillende sectoren. Bij deze lichtsoorten zijn rood en groen de twee boordlichten, niet twee willekeurige lampen op een boot.

Schijnhoeken van toplicht, boordlichten en heklichtBovenaanzicht van een schip met de boeg naar boven. Het witte toplicht schijnt over 225 graden naar voren, tot 22,5 graden achter dwars. Het groene boordlicht schijnt aan stuurboord en het rode aan bakboord, elk over 112,5 graden. Het witte heklicht schijnt over 135 graden naar achteren.Toplicht wit, 225°Stuurboord groen, 112,5°Bakboord rood, 112,5°Heklicht wit, 135°
Schematisch bovenaanzicht, boeg naar boven. De grenzen liggen op 22,5° achter dwars. Bron: Artikel 3.01a. Begripsbepalingen (opent in een nieuw venster).
Lichtsectoren volgens BPR artikel 3.01a
LichtKleurSector
ToplichtWit225°: van recht vooruit tot 22°30′ achter dwars aan beide zijden
Boordlicht bakboordRood112°30′ aan de bakboordzijde
Boordlicht stuurboordGroen112°30′ aan de stuurboordzijde
HeklichtWit135° aan de achterzijde
Rondom schijnend lichtAfhankelijk van het voorgeschreven teken360°

Hetzelfde motorschip vanuit vier richtingen

De tekeningen tonen één gekozen uitvoering met een toplicht, afzonderlijke boordlichten en een heklicht. Ze tonen wat de waarnemer vanuit de genoemde richting ziet. Niet iedere toegestane uitvoering van een klein motorschip ziet er precies zo uit.

Gebruik de vier beelden samen: het toplicht verdwijnt bij het kijken van recht achteren, terwijl het heklicht dan zichtbaar is. De schematische weergave is bedoeld om de sectoren te begrijpen, niet om afstanden of exacte inbouwhoogten af te lezen.

Welke verlichting geldt voor kleine schepen?

BPR artikel 3.13 beschrijft verschillende toegestane uitvoeringen voor een alleenvarend klein motorschip. In de uitvoering van lid 1 onder b mogen het toplicht en heklicht samen worden vervangen door een wit rondom schijnend licht. Dat maakt de boordlichten niet overbodig.

Er is een aparte uitzondering voor een alleenvarend klein open motorschip korter dan 7 meter waarvan de hoogst bereikbare snelheid niet meer dan 13 km/u ten opzichte van het water is. Dat mag één wit gewoon rondom schijnend licht voeren. Het gaat om de hoogst bereikbare snelheid, niet alleen de snelheid op dat moment.

Een klein zeilschip heeft de uitvoeringen uit lid 5. Voor een zeilschip korter dan 7 meter bestaat de daar omschreven mogelijkheid met een wit rondom schijnend licht, met een tweede wit licht bij nadering van een ander schip en gevaar voor aanvaring. Een klein door spierkracht voortbewogen schip voert ’s nachts een wit gewoon rondom schijnend licht.

Wordt een klein schip gesleept, dan voert het een wit gewoon rondom schijnend licht. Ligt een klein schip stil, dan voert het 's nachts een wit gewoon rondom schijnend licht waar dit het best kan worden gezien; artikel 3.20 noemt daarop uitzonderingen, zoals een veilige ligplaats.

Alle lichten per soort schip

Deze schetsen tonen het schip met al zijn lichten, zoals de schetsen in bijlage 3 van het BPR. 's Nachts zie je vanuit één richting maar een deel daarvan.

Ook overdag kan verlichting nodig zijn

Het BPR bepaalt dat de voor de nacht voorgeschreven lichten ook overdag moeten worden gevoerd wanneer het zicht dat vereist. Alleen naar het tijdstip kijken is dus onvoldoende.

Lees een afbeelding stap voor stap: bepaal de kijkrichting, benoem de zichtbare lichten en controleer welke situatie met die combinatie verenigbaar is. Trek geen conclusie over voorrang uit alleen een kleur; daarvoor moet je ook de vaarregels en de situatie kennen.

Oefenvragen met uitleg

Bedenk eerst je antwoord en open daarna de uitleg. Deze korte zelfcontrole voorspelt niet of je slaagt voor het officiële examen.

  1. Vraag 1

    U ziet een schip precies vanaf zijn bakboordzijde. Welke kleur heeft volgens het BPR het boordlicht aan die zijde?

    1. a.Groen.
    2. b.Rood.
    3. c.Wit.
    Bekijk antwoord en uitleg bij vraag 1

    Antwoord B: Rood.

    Artikel 3.01a noemt een rood boordlicht aan bakboord en een groen boordlicht aan stuurboord. Wit hoort onder meer bij top- en heklicht, niet bij een boordlicht. De zijde is die van het waargenomen schip.

  2. Vraag 2

    U kiest een licht dat alleen het achterste deel van de horizon bestrijkt: 135°, symmetrisch rond recht achteruit. Welk licht is dat?

    1. a.Een heklicht.
    2. b.Een rondom schijnend licht.
    3. c.Een toplicht.
    Bekijk antwoord en uitleg bij vraag 2

    Antwoord A: Een heklicht.

    Het heklicht bestrijkt volgens artikel 3.01a een boog van 135° rond recht achteruit. Het toplicht bestrijkt 225° naar voren en de zijkanten; een rondom schijnend licht bestrijkt 360°.

  3. Vraag 3

    Een alleenvarend klein open motorschip is 6 meter lang en kan maximaal 12 km/u ten opzichte van het water varen. Welke vereenvoudigde verlichting mag het volgens artikel 3.13 lid 2 ’s nachts voeren?

    1. a.Alleen een rood rondom schijnend licht.
    2. b.Alleen een wit rondom schijnend licht.
    3. c.Alleen een groen rondom schijnend licht.
    Bekijk antwoord en uitleg bij vraag 3

    Antwoord B: Alleen een wit rondom schijnend licht.

    Het schip voldoet aan de voorwaarden: open, minder dan 7 meter en een hoogst bereikbare snelheid van niet meer dan 13 km/u ten opzichte van het water. Artikel 3.13 lid 2 staat dan een wit gewoon rondom schijnend licht toe. Rood of groen is geen vervanging.

  4. Vraag 4

    Een alleenvarend klein motorschip gebruikt de uitvoering van artikel 3.13 lid 1 onder b met een wit rondom schijnend licht in plaats van toplicht en heklicht. Wat geldt voor de boordlichten?

    1. a.Die worden door het witte licht vervangen.
    2. b.Die blijven deel van de voorgeschreven verlichting.
    3. c.Die worden vervangen door een geel licht.
    Bekijk antwoord en uitleg bij vraag 4

    Antwoord B: Die blijven deel van de voorgeschreven verlichting.

    De vervangingsmogelijkheid geldt voor het toplicht en heklicht uit lid 1 onder b. De boordlichten uit diezelfde uitvoering blijven voorgeschreven. Eén wit rondom schijnend licht vervangt hier dus niet de complete verlichting.

  5. Vraag 5

    Een klein door spierkracht voortbewogen schip vaart ’s nachts. Welke verlichting schrijft artikel 3.13 lid 6 daarvoor voor?

    1. a.Een geel flikkerlicht en een wit heklicht.
    2. b.Een wit gewoon rondom schijnend licht.
    3. c.Een rood en een groen rondom schijnend licht.
    Bekijk antwoord en uitleg bij vraag 5

    Antwoord B: Een wit gewoon rondom schijnend licht.

    Artikel 3.13 lid 6 schrijft voor een klein door spierkracht voortbewogen schip ’s nachts een wit gewoon rondom schijnend licht voor. De andere genoemde combinaties volgen niet uit dat lid.

  6. Vraag 6

    Een klein zeilschip wil 's nachts al zijn voorgeschreven lichten in één lantaarn in de top van de mast voeren. Welke lichten mogen daarin verenigd zijn?

    1. a.Het toplicht en de boordlichten.
    2. b.Het toplicht en het heklicht.
    3. c.De boordlichten en het heklicht.
    Bekijk antwoord en uitleg bij vraag 6

    Antwoord C: De boordlichten en het heklicht.

    Een klein zeilschip mag de boordlichten en het heklicht verenigen in één lantaarn aan of nabij de top van de mast. Een zeilschip voert geen toplicht; dat is een licht voor motorschepen.

  7. Vraag 7

    Een zeilbootje van 6 m voert 's nachts alleen een wit rondom schijnend licht. Het nadert een ander schip en er dreigt een aanvaring. Wat moet het zeilbootje dan bovendien doen?

    1. a.Alsnog de boordlichten aanzetten.
    2. b.Een tweede wit licht tonen.
    3. c.Een geel flikkerlicht tonen.
    Bekijk antwoord en uitleg bij vraag 7

    Antwoord B: Een tweede wit licht tonen.

    Een klein zeilschip korter dan 7 m mag 's nachts een wit gewoon rondom schijnend licht voeren. Het moet dan bij het naderen van een ander schip, bij gevaar voor aanvaring, een tweede wit gewoon licht tonen om de aandacht te trekken. Een geel flikkerlicht of het alsnog aanzetten van boordlichten staat niet in deze regel.

  8. Vraag 8

    U ligt 's nachts met uw kleine motorboot voor anker op een meer, niet aan de oever en niet op een aangewezen ligplaats. Welk licht moet u voeren?

    1. a.Een wit rondom schijnend licht, waar het het best te zien is.
    2. b.Geen licht; een zwarte bol is voldoende, ook 's nachts.
    3. c.Uw boordlichten en uw heklicht, net als tijdens het varen.
    Bekijk antwoord en uitleg bij vraag 8

    Antwoord A: Een wit rondom schijnend licht, waar het het best te zien is.

    Een klein schip dat stilligt moet 's nachts een wit gewoon rondom schijnend licht voeren waar dit het best kan worden gezien. De lichten voor een varend schip gelden niet voor een stilliggend schip. De zwarte bol is een teken voor overdag.

  9. Vraag 9

    Op welke hoogte moet het toplicht van een alleenvarend groot motorschip van 60 m lang ten minste staan?

    1. a.Ten minste 4 m.
    2. b.Ten minste 5 m.
    3. c.Ten minste 3 m.
    Bekijk antwoord en uitleg bij vraag 9

    Antwoord B: Ten minste 5 m.

    Het toplicht van een alleenvarend groot motorschip staat op het voorschip op ten minste 5 m hoogte. Die hoogte mag alleen tot 4 m worden verminderd als het schip niet langer is dan 40 m. Dit schip is 60 m lang, dus geldt 5 m.

  10. Vraag 10

    Een alleenvarend groot motorschip voert 's nachts een tweede toplicht. Waar staat dat tweede toplicht?

    1. a.Op het voorschip, onder het eerste toplicht.
    2. b.Op het achterschip, lager dan het eerste toplicht.
    3. c.Op het achterschip, hoger dan het eerste toplicht.
    Bekijk antwoord en uitleg bij vraag 10

    Antwoord C: Op het achterschip, hoger dan het eerste toplicht.

    Een alleenvarend groot motorschip mag op het achterschip een tweede toplicht voeren, op een grotere hoogte dan het toplicht op het voorschip. Een tweede toplicht op het voorschip of lager dan het eerste staat niet in deze regel.

  11. Vraag 11

    U kijkt 's nachts recht van achteren naar een alleenvarend klein motorschip met een toplicht, twee boordlichten en een heklicht. Welk licht ziet u?

    1. a.Het witte toplicht.
    2. b.Het groene boordlicht.
    3. c.Het witte heklicht.
    Bekijk antwoord en uitleg bij vraag 11

    Antwoord C: Het witte heklicht.

    Het heklicht schijnt over 135° rond recht achteruit. Het toplicht en de boordlichten schijnen van recht vooruit tot 22°30' achterlijker dan dwars. Recht van achteren valt buiten die sectoren, dus u ziet alleen het heklicht.

  12. Vraag 12

    Het is overdag en door mist is het zicht slecht. Welke verlichting moet uw motorboot van 12 m dan voeren?

    1. a.De lichten die voor 's nachts zijn voorgeschreven.
    2. b.Alleen een wit rondom schijnend licht.
    3. c.Geen, want verlichting geldt alleen 's nachts.
    Bekijk antwoord en uitleg bij vraag 12

    Antwoord A: De lichten die voor 's nachts zijn voorgeschreven.

    Artikel 3.01 lid 4: wanneer het zicht dit vereist, moeten de lichten die voor 's nachts zijn voorgeschreven ook overdag worden gevoerd. Uw motorboot van 12 m voert dus zijn gewone nachtverlichting. Eén wit rondom schijnend licht als enige licht mag alleen een open motorboot korter dan 7 m die hooguit 13 km per uur kan varen; dat is uw boot niet.

  13. Vraag 13

    Uw kleine sloep zonder motor, die geen bijboot van een ander schip is, wordt 's nachts door een klein motorschip gesleept. Welk licht moet uw sloep voeren?

    1. a.Boordlichten en een heklicht.
    2. b.Geen licht; alleen het slepende schip voert lichten.
    3. c.Een wit rondom schijnend licht.
    Bekijk antwoord en uitleg bij vraag 13

    Antwoord C: Een wit rondom schijnend licht.

    Een klein schip dat wordt gesleept moet 's nachts een wit gewoon rondom schijnend licht voeren; die regel geldt niet voor de bijboot van een schip, maar uw sloep is geen bijboot. Boordlichten en een heklicht horen bij het slepende kleine motorschip zelf.

Klaar met deze 13 vragen?

Test je kennis in een volledig oefenexamen: 40 vragen in 60 minuten, over alle onderwerpen van het examen. Je uitslag bekijk je met volledige toegang; wat dat kost, zie je voordat je begint.

Start oefenexamen 1

Veelgestelde vragen

Is één wit licht altijd een roeiboot?

Nee. Verschillende situaties kunnen een wit rondom schijnend licht of een wit heklicht opleveren. De kijkrichting en verdere omstandigheden zijn nodig om de situatie te beoordelen.

Is rood altijd links op mijn afbeelding?

Rood is het boordlicht aan de bakboordzijde van het afgebeelde schip. Waar dat op jouw afbeelding staat hangt af van de kijkrichting.

Mogen navigatielichten overdag uit blijven?

Niet als het zicht de voor de nacht voorgeschreven lichten vereist; BPR artikel 3.01 lid 4 regelt dat.

Voert een zeilboot een toplicht?

Nee. Een klein zeilschip voert boordlichten en een heklicht, of, als het korter is dan 7 m, een wit rondom schijnend licht. Het toplicht hoort bij motorschepen.

Deze uitleg is door Examenzaal opgesteld. We gebruiken de tekstversie van het BPR van 17 juni 2026. Examenzaal is een onafhankelijke aanbieder van oefenmateriaal. Lees hoe ons materiaal wordt gecontroleerd. Zie je een fout? Meld die aan ons.

Bereid je voor op het volledige oefenexamen

Maak een volledig oefenexamen met 40 vragen in CBR-formaat, of bekijk eerst de examenopbouw. Je uitslag bekijk je met volledige toegang; wat dat kost, zie je voordat je begint.